Accijnsverlaging brandstof? Nee!

Het is iedere keer weer hetzelfde liedje. Jarenlang zijn multinationals, oliebedrijven, nou ja, ondertussen alle grote bedrijven, bezig geld binnen te harken en weg te sluizen ter onderduiking van belastingen en zodra het maar een beetje lastig wordt om dikke winsten te maken worden de prijzen verhoogd en moet de gemeenschap bijspringen.

Nee! Betaal het maar van je binnen geharkte kapitaal! Dus geen accijnsverlaging overheid (die onze door de gemeenschap bijeen gebrachte centjes ‘beheert’ waarmee het onderwijs voor je kind, de zorg voor je bejaarde moeder, de veiligheid van je medeburgers, etc. wordt gefinancierd). Want dat betekent (weer) minder geld beschikbaar voor gemeenschap! Toon nu eens je ballen (de plaats op het lichaam is mij geheel onverschillig) en dwing die bedrijven tot prijsverlaging! Dan ben je pas een vent (mvqhlxb etc)!

Inflatiecorrectie.

Inflatiecorrectie is de laatste jaren het toverwoord geworden voor ondernemers om hun prijzen minstens één keer per jaar te verhogen (overigens maar één van de trucs waarbij zij zich (kunnen) verschuilen achter een zogenaamd externe oorzaak). Inflatie, wat is dat ook al weer? Waardevermindering van je euro. En dat komt door… juist, prijsverhogingen! Prijsverhogingen vanwege inflatiecorrecties?

En zo rent de mens achter zijn eigen staart aan naar zijn (financiële) afgrond.

Aan de slag?

Het eerste woord dat de boreling uitkraamt is bezuinigen. En natuurlijk op dat wat wij als burgers en mensen in Nederland het minst kunnen missen namelijk zorg en onderwijs. Cultuur is allang het hoekje om. Gemeenten zitten met tekorten. Maar nee hoor, we hebben geld nodig voor defensie. De muis zegt piep tegen de tijger.

Marionetten van het bedrijfsleven. U wordt bedankt kiezer!

Wat aan het sprookje vooraf ging.

We volgen een gemiddelde – aan hun spannende avonturen in het academische ziekenhuis voorafgaande – dag uit het leven van het stelletje, waarbij we vooral scherp zullen letten op de voor het verdere verloop van hun gezinsleven zo bepalende omgevingsfactoren.

==

Deze ochtend was er een zoals zo veel andere en Johan en Margreet ontwaakten op hun verplicht met vlamvertragende chemicaliën geïmpregneerde matras, waardoor ze gedurende de, na een van hun vruchteloze pogingen tot natuurlijke reproductie, verder rustige nacht kleine hoeveelheden formaldehydegas en kankerverwekkende broomverbindingen hadden ingeademd, en liepen stoeierig op blote voeten over de met styreen en vergelijkbaar giftige chemische stoffen behandelde vloerbedekking achter elkaar aan naar de badkamer. Johan verfriste zijn adem met het mondwater waaraan naast de vier actieve componenten ook nog een half dozijn smaak- en kleurstoffen was toegevoegd, en terwijl hij het brouwsel – dat de weekmakers in het plastic van de flacon al tijden hadden staan uitlogen – liet rondspoelen in zijn mond las hij uit gewoonte voor de zoveelste keer de tekst op het etiket zonder dat hij ook nu weer de volle betekenis daarvan tot zich liet doordringen: ‘WAARSCHUWING: niet toedienen aan kinderen jonger dan twaalf jaar. Niet doorslikken. Bij per ongeluk toch inslikken professionele hulp inroepen of contact opnemen met een vergiftigingscentrum.’ Margreet gaf er, vanwege de wat mildere tekst op de tube, de voorkeur aan tandpasta te gebruiken: ‘Bij inslikken van een grotere hoeveelheid dan bedoeld voor het tandenpoetsen, dient medische hulp te worden ingeroepen.’ Hoewel ze daar, mede gezien hun gevorderde leeftijd, niet meteen wakker van lagen, hadden ze wel voor alle zekerheid het nummer voor spoedeisende hulp in het telefoonregister van hun mobieltjes opgeslagen. Na het douchen en wat speels geruzie omdat ze dezelfde roller gebruikten, bracht de een bij de ander liefdevol in de okselholtes deodorant aan – met daarin aanwezig de stoffen aluminium, parabenen, propyleenglycol en een onbekend ‘parfum’ genoemd mengsel – gevolgd door het insmeren met wat bodylotion over de rest van het lichaam om door het verwijden van de huidporiën de andere verzorgende chemicaliën wat dieper in de huid te laten doordringen. Ten slotte snoven ze verheerlijkt elkaars synthetische geuren op, waarmee tegelijk de lichte, maar wat klinisch ruikende benzeenlucht van de toiletverfrisser werd verdreven. Terug in de slaapkamer was het, met een volle, drukke dag in het vooruitzicht, hup in de chemisch gereinigde, met synthetische vezels versterkte en door het dichloorbenzeen van de mottenballen beschermde kleren, wat zoals altijd gepaard ging met een wolkje trichloorethyleen en n-hexaan, van welke stoffen bekend is dat ze op den duur hartafwijkingen, zenuwbeschadigingen en geheugenverlies veroorzaken, maar dat laatste had met de hulp van hun elektronische agenda’s nog geen serieuze problemen opgeleverd. Samen met de uitwaseming van de lak van het ameublement, de muurverf, de tapijtreiniger en de vlamvertragers in de vloerbedekking hing er in hun slaapkamer, net als in de rest van het huis, vanwege de voortreffelijke isolatie permanent een complex gasmengsel van lichaamsvreemde stoffen, waarvan de invloed van de losse componenten op de lichamelijke en geestelijke gesteldheid door de wetenschap al wel onderzocht was – hoofdpijn, stemmingswisselingen en concentratieproblemen – maar het versterkende effect van de optelsom (de toxische synergie) nog in het geheel niet. De her en der opgehangen en onder het passeren automatisch sproeiende luchtverfrissers verdreven de kwalijke dampen weliswaar niet, droegen daar integendeel met hun gesis nog hun steentje aan bij, maar maskeerden in ieder geval de onaangename geuren op een alleszins prettige manier.

Op naar de keuken, waar Johan en Margreet – omgeven door de chloordampen van de vaatwasser en de met waarschuwingsstickers volgeplakte flessen en spuitbussen met schoonmaakmiddelen en insecticiden in het aanrechtkastje – betrekkelijk goedgehumeurd begonnen aan hun viergranenontbijt met daarin een flink aantal synthetische additieven, waaronder de zoetstof aspartaam, die is aangemerkt als de veroorzaker van verschillende allergieën en andere ernstige ziekten waaronder kanker. De vleeswaren voor het boterhambeleg van het lunchpakketje bevatten naast de conserveringsmiddelen ook groeihormonen en antibiotica die zijn toegediend toen het dier nog leefde, en zullen, net als het plastic van het verpakkingsmateriaal en het blaadje sla en het plakje tomaat met de restanten van een zestal pesticiden, die middag nog hun bijdrage leveren aan de honderden synthetische stoffen die het tweetal al hebben geconsumeerd voordat hun dag goed en wel was begonnen en de uitlaatgassen en het fijnstof van de ochtendspits buiten nog lagen te wachten.

Gedurende de rest van de werkdag groeide de lijst van door Johan en Margreet geïnhaleerde of geconsumeerde synthetische chemicaliën in hetzelfde rappe tempo gestaag aan en valt er weinig nieuws over te melden, behalve dan dat zij besloten hadden om die avond een copieus diner voor een paar van hun meest dierbare vrienden te bereiden en daarom op weg naar huis een supermarkt aandeden om de benodigde inkopen te doen. Terwijl Margreet tussen de rekken het winkelwagentje aan het vullen was en Johan – die een vreselijke hekel had aan shoppen – buiten op haar stond te wachten om te helpen met inladen, viel hem voor het eerst een bordje op ter grootte van een velletje A4 dat op ooghoogte naast de hoofdingang was aangebracht met ook daarop alweer de tekst: ‘WAARSCHUWING: De producten die in dit gebouw worden verkocht of gebruikt kunnen chemische stoffen bevatten waarvan bij de Staat bekend is dat ze kanker, geboorteafwijkingen of andere schade in verband met de voortplanting kunnen veroorzaken’, en het viel hem op dat eigenlijk niemand van de vele klanten die de winkel betraden of verlieten het bordje ook maar één blik waardig keurde.

Het werd niettemin een gezellig en smakelijk etentje waarbij heerlijkheden werden geserveerd als kalkoen, kip, kaas, melk, boter en roomijs, volgens een recent onderzoek allemaal verontreinigd met PBDE (een acroniem voor polygebromeerde difenylether), dat als vlamvertragend middel wordt gebruikt in tapijten, meubilair en elektronica, kankerverwekkend is, schade toebrengt aan de voortplantingsorganen en het zenuw- en hormoonstelsel, en zich als niet-afbreekbare stof ophoopt in het vetweefsel van dieren. De in een teflon pan knapperig gebakken aardappelen en de met kraanwater frisgewassen spinazie bevatten evengoed nog vele pesticiden en de romige slasaus zat vol met conserveringsmiddelen en kunstmatige kleur- en smaakstoffen, en met het rundvlees werd tegelijk een keur aan groeihormonen, antibiotica, tranquillizers, insecticiden en onkruidverdelgers opgediend.

Het voldaan met een drankje nog een uurtje nazitten rond het knapperende haardvuur stelde Margreet in de gelegenheid de vrienden te informeren over het nog steeds uitblijven van haar zwangerschap, en een van hen – die er wat vaker een gewoonte van maakte de actualiteit bij te houden – vertelde over een onderzoek dat had aangetoond dat er door de diverse farmaceutische en chemische industrieën jaarlijks tweehonderdvijftig miljoen ton aan mogelijk toxische, carcinogene, neurotoxische en andere synthetische chemicaliën worden geproduceerd,153 en dat alles bij elkaar wel zevenhonderd verschillende stoffen – die twee mensengeneraties eerder nog niet bestonden154 – waren aangetoond in het bloed en de urine van een grote groep mensen die noch beroepsmatig noch geografisch in contact waren geweest met deze chemicaliën of de plaats waar ze werden geproduceerd. ‘In feite,’ zo besloot hij zijn betoog, ‘zijn we allemaal zo verontreinigd dat, als we kannibalen waren, ons vlees verboden zou worden voor menselijke consumptie.’

Vermoeid door de bewogen avond maar tevreden met alle complimenten over hun kookkunst, vlijden Margreet en Johan zich die nacht tegen elkaar aan: ‘Zullen we nog maar een keer, dan?’

Bron: André Klukhuhn, De Algehele geschiedenis van het denken.

Een sprookje van de moderne tijd.

Lang, heel lang geleden, nog vóór het jaar 2010, woonden er eens een man en een vrouw in het hartje van een welvarend land- en tuinbouwgebied. Drukke verkeersaders doorsneden het vlakke land in fraaie geometrische patronen en alles rook en smaakte er dan ook pittig naar uitlaatgassen en onkruid- en insectenbestrijdingsmiddelen. Veel vogels waren er daarom niet meer te bekennen, maar een nabijgelegen luchthaven compenseerde de behoefte aan lawaai en vliegbewegingen meer dan voldoende, ook in de nachtelijke uren. Rondom aan de wazige einder verhieven zich rank de voortdurend bepluimde schoorstenen van een kerncentrale en een afvalverwerkingsfabriek, alsmede de zware contouren van een academisch ziekenhuis, een klomp versteende doodsangst, inwendig versierd met exotische cactustuinen en pittoreske waterpartijen.

Nu zagen Johan en Margreet – want zo heetten ze – er allebei patent uit en ze waren ook al een poosje bijzonder op elkaar gesteld, zodat ze, ondanks hun beider belangstelling voor een glanzende maatschappelijke carrière, het verwekken van nakomelingen serieus in overweging hadden genomen, in ieder geval eentje, want zo correct waren ze wel. De verwoede pogingen die ze daartoe in het werk stelden, bleven echter zonder het beoogde resultaat. En toen ze op een dag door een schrijven van de overheid in kennis werden gesteld van het verhoogde risico dat het wonen in hun streek voor eventueel nageslacht met zich meebracht – het aantal geboorten van kinderen met een lichte lichamelijke of geestelijke handicap was de laatste jaren schrikbarend gestegen, aldus de huis-aan-huisfolder – besloten ze zich eerst tot de medische stand te wenden alvorens hun pogingen tot gezinsuitbreiding voort te zetten, het academische ziekenhuis stond tenslotte vlak in de buurt. Dat bleek een verstandig besluit, want na een grondig onderzoek van de anatomie en de fysiologie van hun beider reproductieve systemen kwam vast te staan dat er, waarschijnlijk als gevolg van de heersende chemische en fysische milieufactoren in hun woongebied, in het ejaculaat van Johan nauwelijks nog een levenslustige zaadcel viel te bekennen en de baarmoeder van Margreet was ook al niet veel bijzonders meer. De rest ging nog wel, dus het had erger gekund, zoals hun buren afgunstig opmerkten, daarmee verwijzend naar hun eigen zorgwekkende toestand.

Dat Johan en Margreet daar aanvankelijk behoorlijk mee zaten spreekt voor zich: zo jong nog en reeds zo door de beschaving getekend dat ze geen gehoor konden geven aan de onweerstaanbaar verleidelijke roep van het ouderschap. Gelukkig herstelden ze onder de deskundige leiding van een geestelijk nazorger redelijk van de slag en brak op zekere dag zelfs het moderne inzicht bij ze door dat problemen die door wetenschappelijke middelen zijn opgeroepen, ook weer met wetenschappelijke middelen kunnen worden opgelost. Dus togen ze opnieuw naar het academische ziekenhuis, en inderdaad, daar bleek het, gezien de recente ontwikkelingen in de heroïsche geneeskunde, mogelijk een alleszins begaanbaar voortplantingspad uit te stippelen, met een behoorlijke kans van slagen, ondanks de deplorabele toestand van Johans zaad en Margreets baarmoeder.

Aanvankelijk was er sprake van twee mogelijke opties. De grootste voorkeur van het medische team dat de verantwoordelijkheid voor de voortplanting op zich had genomen, ging uit naar orgaantransplantatie. Maar daar zijn jonge, gezonde, maar niettemin dode donors voor nodig en die zijn eigenlijk alleen maar te vinden in de wegberm, vlak na een zwaar verkeersongeval. Een recent ministerieel voorstel tot verlaging van de maximumsnelheid op autowegen had de betrokken medici dan ook voor een ernstig moreel dilemma geplaatst: enerzijds zou het verkeer ongetwijfeld minder slachtoffers gaan eisen en het milieu zou erop vooruitgaan, maar anderzijds dreigde daardoor de belangrijkste bron van orgaandonoren op te drogen.

Maar toevallig werd er die dag net een jonge, roekeloze motorrijder binnengebracht, die ergens frontaal tegenaan was gereden en er in zijn jeugdige overmoed nog niet aan gedacht had zijn donorcodicil in te vullen. Hoewel het ongelukkige slachtoffer bij binnenkomst nog niet officieel dood was, vond de verdeling van de buit over een aantal in levensgevaar verkerende patiënten in het ziekenhuis eigenlijk al plaats tijdens het eerste oriënterende onderzoek: longen, hart, lever, nieren, alvleesklier, hoornvliezen, botten, huid, bindweefsel en kraakbeen werden nog in betrekkelijk goede staat aangetroffen en vonden vrijwel onmiddellijk na het definitieve overlijden als gevolg van onherstelbaar hersenletsel hun weg naar de diverse afdelingen. Even dreigde er een gênant relletje te ontstaan tussen de gegadigden voor enerzijds de lever en anderzijds de alvleesklier, welke organen niet beide onbeschadigd verwijderd konden worden, maar gelukkig wist men tijdig tot een minnelijke schikking te komen. Een jongeman beschikt echter niet over een baarmoeder en de testikels kwamen, gezien de aard van het ongeluk, niet meer voor transplantatie in aanmerking, dus viel zowel Margreet als Johan buiten de prijzen.

Daarom was men noodgedwongen aangewezen op de tweede optie: de reageerbuisbevruchting met donorsperma. En zo gebeurde het dat er op een prille lentemorgen een paar eicellen uit het ovarium van Margreet werden losgepeuterd om vervolgens in daartoe gereedstaand glaswerk te worden verenigd en tot deling aangezet met het door gulle hand en een stapeltje prikkellectuur verkregen zaad van een wildvreemde snuiter.

Een van de aldus bevruchte eicellen werd spoedig daarna hormoongestimuleerd ingenesteld bij een draagmoeder, de werkloze naaister Belinda, een arme, eenzame donder die gezien haar voorkomen zelf slecht aan de man wist te raken en nu wel wat geld, goede woorden en een zingevende bezigheid kon gebruiken. Deze optie had tot voordeel dat Margreets gammele baarmoeder en Johans levenloze zaad bij de voortplanting konden worden vermeden en dat woog ruimschoots op tegen enige onduidelijkheid met betrekking tot het ouderschap. Eerst werd nog wel geprobeerd Belinda zover te krijgen haar baarmoeder voor transplantatie naar Margreets buik ter beschikking te stellen, maar de behoeftige naaister prefereerde de meermalige opbrengst van het draagmoederschap boven de weliswaar aanzienlijk hogere, maar eenmalige uitkering verbonden aan orgaandonatie.

Het nieuwe leven ontwikkelde zich voorspoedig in de veilige warmte van Belinda’s draagbaarmoeder. Zelfs iets té voorspoedig, want al delende was er een trosje van zes foetussen ontstaan – een in de medische vakliteratuur al eerder vermelde bijwerking van de voor innesteling gebruikte hormonen –, waarvan er dus vijf dienden te worden weggeknipt, zodat er één serieus te nemen foetus over zou blijven. Technisch was dat wegknippen niet zo problematisch, maar het knelpunt lag bij wélke dat zouden moeten zijn en in welke fase van de ontwikkeling de ingreep zou moeten plaatsvinden: men wilde uiteraard van het aanvankelijke halve dozijn liefst het beste exemplaar behouden en de vraag was nu hoe dat met redelijke zekerheid zou kunnen worden vastgesteld. De eindverantwoordelijke arts van het medische team voelde er het meest voor de knipoperatie zo lang mogelijk uit te stellen, omdat mogelijke anatomische defecten van de foetussen dan makkelijker konden worden opgespoord, maar de meerderheid van het team, onder wie een Parkinson-specialist die het moest hebben van zo jong mogelijke foetale hersen- en zenuwcellen, vond het toch beter de ingreep zo snel mogelijk te doen plaatsvinden. En zo geschiedde, waar men achteraf behoorlijk spijt van had, want het overblijvende exemplaar vertoonde, naar later bleek, waarschijnlijk als gevolg van enig medicijngebruik door Belinda, een probleempje met het hart. Maar problemen die door wetenschappelijke middelen worden veroorzaakt kunnen, zoals we reeds hebben gezien, ook weer met wetenschappelijke middelen worden opgelost. Met één binnenbaarmoederlijke hartoperatie op de avond voor de veel te vroege verlossing, welke laatste vervolgens door dezelfde opening kon plaatsvinden, en ook nog eentje buitenbaarmoederlijk op de ochtend erna, werd het euvel alsnog verholpen.

Die middag stonden Johan, Margreet, het voltallige medische team, de standaards met de flessen bloedplasma en de overige meet- en regelapparatuur gezellig in een kring rond de couveuse naast het bed van de danig toegetakelde Belinda op de intensivecareafdeling van het ziekenhuis. En terwijl Margreet zachtjes in Johans hand kneep en door haar tranen heen naar de vrolijk knipperende lichtjes van de hart-longmachine staarde, doorstroomde haar een intens geluksgevoel en wist ze dat het zo goed was. Want wat ze toen natuurlijk nog niet kon weten was dat dit moderne sprookje niet zou eindigen met ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’, omdat het wurm het uiteindelijk toch niet zou redden. Na een paar wanhopige dagen voor alle ouders en kind moest de stekker van de couveuse ten slotte toch nog uit het stopcontact worden getrokken.

Er was echter nog één ultieme troost. Vanwege de enorme vorderingen op het gebied van de cryobiologie viel de – mede vanwege het door hormoongebruik moeilijk vast te stellen geslacht – nog naamloos gestorven boreling van Johan en Margreet de eer te beurt als eerste baby te worden ingevroren. Daartoe werd het bloed van het kleintje met een pompje via de halsslagader vervangen door een oplossing van suiker en elektrolyt, waarna het lichaampje onder een registratienummer werd opgeborgen in een met vloeibare stikstof gekoelde, dubbelwandige, cilindervormige, glanzend roestvrijstalen capsule. Daar ligt het nu nog, in afwachting van het moment waarop de medische wetenschap in staat zal zijn het reeds gevloden leventje terug te commanderen. Want het leven mag dan wel nog steeds een seksueel overdraagbare aandoening met gegarandeerd dodelijke afloop zijn, maar waarom zouden we ons daar in hemelsnaam bij moeten neerleggen?

==

Een sprookje? Dit wel ja, maar het volgende verslag komt van de ouders die zes maanden hebben doorgebracht bij hun te vroeg geboren baby Andrew op de pediatrische intensivecareafdeling van een ziekenhuis: ‘De lange lijst van Andrews kwellingen, bijna allemaal door de artsen veroorzaakt, maakt duidelijk hoe rampzalig zijn verblijf in het ziekenhuis was. Hij werd “gered” door een beademingstoestel om steeds weer opnieuw te maken te krijgen met hartproblemen, talloze sucties, buisjes, bloedafnames en -transfusies; “gered” om verschillende infecties op te lopen, gedemineraliseerde en gebroken botten te krijgen, en hersenbloedingen. Hij werd in feite “gered” door het beademingstoestel om vijf lange en pijnlijke maanden later te sterven aan de bijverschijnselen. Tegen de tijd dat hij mocht sterven had de technologie die was gebruikt om hem te “redden” niet zozeer een menselijk leven in stand gehouden, als wel een groteske karikatuur van een menselijk leven, een “persoon” met onvolgroeide en steeds verder verslechterende hersenen, en nauwelijks een onbeschadigd vitaal orgaan in zijn lichaam, die alleen kon bestaan als verlengstuk van een apparaat. Dit is het beeld van onze zoon Andrew dat ons de rest van ons leven zal bijblijven.’

Bron: André Klukhuhn, De Algehele geschiedenis van het denken.

Amerika boycotten?

Als we dan toch bezig zijn om Amerika en Amerikaanse producten en dergelijke te boycotten zullen we dat dan ook gelijk maar in onze taal doen? De Nederlandse taal bedoel ik dan. Dat we fuck gewoon weer neuken noemen, in plaats van ergens mee moeten dealen weer ergens mee om moeten gaan zeggen, een klant, een voor u onbekend of ten opzichte van u (aanmerkelijk) ouder persoon weer respectvol met u aanspreken in plaats van jij, jou en jullie, Geachte heer in plaats van hoi Piet in een zakelijk schrijven? En al dat andere platvloerse Amerikaans, eruit er mee! Weg uit onze prachtige Nederlandse taal. Beschaafd Nederlands en wie weet komt er dan ook weer enige beschaving terug in ons kleine landje.

Ondergang van het Avondland? Wereld zal je bedoelen!

Ruim honderd jaar geleden schreef Oswald Spengler zijn Ondergang van het Avondland. Nu is het niet zo moeilijk om van iets te zeggen dat het op gegeven moment niet meer bestaat want, naar Boeddhistische wijsheid: alles dat ontstaat vergaat. Maar Spengler beschreef ook het waarom (volgens hem). Ik vermoed dat hij (en nog vele andere denkers van na 1800 die pessimistisch waren en zijn over het voortbestaan van de mens als soort) gelijk had. Maar ondertussen denk ik dat we niet alleen meer van het Avondland (Europa) kunnen spreken maar van Wereld (nee, niet die planeet die wij Aarde noemen) moeten spreken.

Honderden ‘moeilijke’ boeken heb ik ondertussen verslonden en honderden wachten nog ter bevrediging van mijn onstilbare nieuwsgierigheid. Al die (verschillende) theorieën, analyses, essays en onderzoeken leveren mij inzicht. In mijn leven en alles dat zich daar in, er omheen, wel of niet innerlijk, wel of niet in nabijheid, afspeelt. In het denken ook. Een geweldige ‘samenvatting’ is André Klukhuhn’s De algehele geschiedenis van het denken.

Eén van die inzichten wil ik kort hier met u delen. Misschien opent voor u dan ook het inzicht of kweekt het nieuwsgierigheid en dus behoefte tot verder onderzoek. Van harte aanbevolen.

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen, ik denk dat de menselijke geest zijn hoogtepunt had rond 1800. Dat is wel even schrikken hé. Want sindsdien gaat het dus helling af. De laatste decennia zelfs exponentieel rap dalend naar absolute domheid. De teloorgang van het denken in maar een paar eeuwtjes na millennia moeizaam stijgend. Het verband met de industrialisering en digitalisering is gauw gelegd natuurlijk.

Hoe kom ik tot dit pessimistisch denken. Wel, tot ongeveer die laatste helft van de 18e eeuw schreven denkers om tot verbetering van het denken, en dus van het leven, aan te zetten. Maar veel denkers van na ongeveer 1800 publiceerden pessimistische geschriften over de geest, geestelijk vorming van de mens en het denken. Er was niets meer aan te doen, men draagt de geest ten grave, zal steeds minder in staat zijn te denken ter bevordering van de wijsheid. Nietzsche is met zijn nihilistisch instelling de meest bekende denker wat dat aangaat. Schopenhauer natuurlijk maar ook aardig wat hedendaags denkers.

Dan is er nog de praktijk. Eén wereldoorlog was blijkbaar niet genoeg om de mens weer aan het denken te zetten over zijn denken (en dus gedrag!). Er moest eerst nog een tweede volgen met de meest afschuwelijke voorbeelden van domheid in menselijk denken en gedrag. Dat hielp wel wat maar slechts eventjes. De tweede wereldoorlog en zijn ellende en menselijk lijden is de laatste paar decennia in de vergetelheid geraakt. Zij die het meegemaakt hebben zijn zo goed als verdwenen uit ons hedendaagse. Oorlogen elders in de wereld zijn niet meer dan nieuwsberichtjes (waar je dan je mening of reactie die er geheel niet toe doet onder kan zetten).

Men feest nu weer (gelijk als tijdens het interbellum tussen de twee wereldoorlogen) naar zijn ondergang toe. De teloorgang van de geest gaat op exponentiële wijze richting absolute domheid. Dat er veel mensen met een universiteit opleiding (bezig) zijn zegt niets over die mensen maar alles over het belabberde niveau van de universiteiten. Het woord vorming kent men niet meer. Er worden radertjes voor de economie gefabriceerd.

Zijn we nu, door domheid gedreven, op weg naar een derde wereldoorlog? Een definitieve? De invulling van dat ‘definitieve’ laat ik geheel aan uw eigen verbeeldingskracht over. Als u dat (nog) bezit.

Minder werken?

Stop met het kijken en luisteren naar reclames* daardoor ga je vanzelf minder consumeren en hou je uiteindelijk geld over waardoor je minder kan gaan werken en je aandacht weer aan je echte wereld om je heen kan geven. Aan je lief, aan je kinderen, aan je ouders, aan je grootouders, aan je vrienden. Niet via een koud apparaatje met een schermpje maar echt, met echte warmte. Warmte die je kunt voelen, aanraken en ruiken.

* Ik bedoel hier: zorg dat je minder reclames ziet en hoort. Wat dat betreft zijn de uitknop en de muteknop een zegen voor de mens(heid). Voor de vele onwetenden onder de soort mens: de uitknop is vaak de zelfde knop als waarmee je een apparaatje aan zet maar gewoon even wat langer vasthouden. Je zal merken dat hoe langer je dat ding uit hebt, hoe meer tijd je vrij krijgt om aandacht aan de echte wereld te schenken. Tot je zover komt dat het apparaat door jou alleen nog maar gebruikt wordt voor het doel waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was namelijk: administratie.