Een sprookje van de moderne tijd.

Lang, heel lang geleden, nog vóór het jaar 2010, woonden er eens een man en een vrouw in het hartje van een welvarend land- en tuinbouwgebied. Drukke verkeersaders doorsneden het vlakke land in fraaie geometrische patronen en alles rook en smaakte er dan ook pittig naar uitlaatgassen en onkruid- en insectenbestrijdingsmiddelen. Veel vogels waren er daarom niet meer te bekennen, maar een nabijgelegen luchthaven compenseerde de behoefte aan lawaai en vliegbewegingen meer dan voldoende, ook in de nachtelijke uren. Rondom aan de wazige einder verhieven zich rank de voortdurend bepluimde schoorstenen van een kerncentrale en een afvalverwerkingsfabriek, alsmede de zware contouren van een academisch ziekenhuis, een klomp versteende doodsangst, inwendig versierd met exotische cactustuinen en pittoreske waterpartijen.

Nu zagen Johan en Margreet – want zo heetten ze – er allebei patent uit en ze waren ook al een poosje bijzonder op elkaar gesteld, zodat ze, ondanks hun beider belangstelling voor een glanzende maatschappelijke carrière, het verwekken van nakomelingen serieus in overweging hadden genomen, in ieder geval eentje, want zo correct waren ze wel. De verwoede pogingen die ze daartoe in het werk stelden, bleven echter zonder het beoogde resultaat. En toen ze op een dag door een schrijven van de overheid in kennis werden gesteld van het verhoogde risico dat het wonen in hun streek voor eventueel nageslacht met zich meebracht – het aantal geboorten van kinderen met een lichte lichamelijke of geestelijke handicap was de laatste jaren schrikbarend gestegen, aldus de huis-aan-huisfolder – besloten ze zich eerst tot de medische stand te wenden alvorens hun pogingen tot gezinsuitbreiding voort te zetten, het academische ziekenhuis stond tenslotte vlak in de buurt. Dat bleek een verstandig besluit, want na een grondig onderzoek van de anatomie en de fysiologie van hun beider reproductieve systemen kwam vast te staan dat er, waarschijnlijk als gevolg van de heersende chemische en fysische milieufactoren in hun woongebied, in het ejaculaat van Johan nauwelijks nog een levenslustige zaadcel viel te bekennen en de baarmoeder van Margreet was ook al niet veel bijzonders meer. De rest ging nog wel, dus het had erger gekund, zoals hun buren afgunstig opmerkten, daarmee verwijzend naar hun eigen zorgwekkende toestand.

Dat Johan en Margreet daar aanvankelijk behoorlijk mee zaten spreekt voor zich: zo jong nog en reeds zo door de beschaving getekend dat ze geen gehoor konden geven aan de onweerstaanbaar verleidelijke roep van het ouderschap. Gelukkig herstelden ze onder de deskundige leiding van een geestelijk nazorger redelijk van de slag en brak op zekere dag zelfs het moderne inzicht bij ze door dat problemen die door wetenschappelijke middelen zijn opgeroepen, ook weer met wetenschappelijke middelen kunnen worden opgelost. Dus togen ze opnieuw naar het academische ziekenhuis, en inderdaad, daar bleek het, gezien de recente ontwikkelingen in de heroïsche geneeskunde, mogelijk een alleszins begaanbaar voortplantingspad uit te stippelen, met een behoorlijke kans van slagen, ondanks de deplorabele toestand van Johans zaad en Margreets baarmoeder.

Aanvankelijk was er sprake van twee mogelijke opties. De grootste voorkeur van het medische team dat de verantwoordelijkheid voor de voortplanting op zich had genomen, ging uit naar orgaantransplantatie. Maar daar zijn jonge, gezonde, maar niettemin dode donors voor nodig en die zijn eigenlijk alleen maar te vinden in de wegberm, vlak na een zwaar verkeersongeval. Een recent ministerieel voorstel tot verlaging van de maximumsnelheid op autowegen had de betrokken medici dan ook voor een ernstig moreel dilemma geplaatst: enerzijds zou het verkeer ongetwijfeld minder slachtoffers gaan eisen en het milieu zou erop vooruitgaan, maar anderzijds dreigde daardoor de belangrijkste bron van orgaandonoren op te drogen.

Maar toevallig werd er die dag net een jonge, roekeloze motorrijder binnengebracht, die ergens frontaal tegenaan was gereden en er in zijn jeugdige overmoed nog niet aan gedacht had zijn donorcodicil in te vullen. Hoewel het ongelukkige slachtoffer bij binnenkomst nog niet officieel dood was, vond de verdeling van de buit over een aantal in levensgevaar verkerende patiënten in het ziekenhuis eigenlijk al plaats tijdens het eerste oriënterende onderzoek: longen, hart, lever, nieren, alvleesklier, hoornvliezen, botten, huid, bindweefsel en kraakbeen werden nog in betrekkelijk goede staat aangetroffen en vonden vrijwel onmiddellijk na het definitieve overlijden als gevolg van onherstelbaar hersenletsel hun weg naar de diverse afdelingen. Even dreigde er een gênant relletje te ontstaan tussen de gegadigden voor enerzijds de lever en anderzijds de alvleesklier, welke organen niet beide onbeschadigd verwijderd konden worden, maar gelukkig wist men tijdig tot een minnelijke schikking te komen. Een jongeman beschikt echter niet over een baarmoeder en de testikels kwamen, gezien de aard van het ongeluk, niet meer voor transplantatie in aanmerking, dus viel zowel Margreet als Johan buiten de prijzen.

Daarom was men noodgedwongen aangewezen op de tweede optie: de reageerbuisbevruchting met donorsperma. En zo gebeurde het dat er op een prille lentemorgen een paar eicellen uit het ovarium van Margreet werden losgepeuterd om vervolgens in daartoe gereedstaand glaswerk te worden verenigd en tot deling aangezet met het door gulle hand en een stapeltje prikkellectuur verkregen zaad van een wildvreemde snuiter.

Een van de aldus bevruchte eicellen werd spoedig daarna hormoongestimuleerd ingenesteld bij een draagmoeder, de werkloze naaister Belinda, een arme, eenzame donder die gezien haar voorkomen zelf slecht aan de man wist te raken en nu wel wat geld, goede woorden en een zingevende bezigheid kon gebruiken. Deze optie had tot voordeel dat Margreets gammele baarmoeder en Johans levenloze zaad bij de voortplanting konden worden vermeden en dat woog ruimschoots op tegen enige onduidelijkheid met betrekking tot het ouderschap. Eerst werd nog wel geprobeerd Belinda zover te krijgen haar baarmoeder voor transplantatie naar Margreets buik ter beschikking te stellen, maar de behoeftige naaister prefereerde de meermalige opbrengst van het draagmoederschap boven de weliswaar aanzienlijk hogere, maar eenmalige uitkering verbonden aan orgaandonatie.

Het nieuwe leven ontwikkelde zich voorspoedig in de veilige warmte van Belinda’s draagbaarmoeder. Zelfs iets té voorspoedig, want al delende was er een trosje van zes foetussen ontstaan – een in de medische vakliteratuur al eerder vermelde bijwerking van de voor innesteling gebruikte hormonen –, waarvan er dus vijf dienden te worden weggeknipt, zodat er één serieus te nemen foetus over zou blijven. Technisch was dat wegknippen niet zo problematisch, maar het knelpunt lag bij wélke dat zouden moeten zijn en in welke fase van de ontwikkeling de ingreep zou moeten plaatsvinden: men wilde uiteraard van het aanvankelijke halve dozijn liefst het beste exemplaar behouden en de vraag was nu hoe dat met redelijke zekerheid zou kunnen worden vastgesteld. De eindverantwoordelijke arts van het medische team voelde er het meest voor de knipoperatie zo lang mogelijk uit te stellen, omdat mogelijke anatomische defecten van de foetussen dan makkelijker konden worden opgespoord, maar de meerderheid van het team, onder wie een Parkinson-specialist die het moest hebben van zo jong mogelijke foetale hersen- en zenuwcellen, vond het toch beter de ingreep zo snel mogelijk te doen plaatsvinden. En zo geschiedde, waar men achteraf behoorlijk spijt van had, want het overblijvende exemplaar vertoonde, naar later bleek, waarschijnlijk als gevolg van enig medicijngebruik door Belinda, een probleempje met het hart. Maar problemen die door wetenschappelijke middelen worden veroorzaakt kunnen, zoals we reeds hebben gezien, ook weer met wetenschappelijke middelen worden opgelost. Met één binnenbaarmoederlijke hartoperatie op de avond voor de veel te vroege verlossing, welke laatste vervolgens door dezelfde opening kon plaatsvinden, en ook nog eentje buitenbaarmoederlijk op de ochtend erna, werd het euvel alsnog verholpen.

Die middag stonden Johan, Margreet, het voltallige medische team, de standaards met de flessen bloedplasma en de overige meet- en regelapparatuur gezellig in een kring rond de couveuse naast het bed van de danig toegetakelde Belinda op de intensivecareafdeling van het ziekenhuis. En terwijl Margreet zachtjes in Johans hand kneep en door haar tranen heen naar de vrolijk knipperende lichtjes van de hart-longmachine staarde, doorstroomde haar een intens geluksgevoel en wist ze dat het zo goed was. Want wat ze toen natuurlijk nog niet kon weten was dat dit moderne sprookje niet zou eindigen met ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’, omdat het wurm het uiteindelijk toch niet zou redden. Na een paar wanhopige dagen voor alle ouders en kind moest de stekker van de couveuse ten slotte toch nog uit het stopcontact worden getrokken.

Er was echter nog één ultieme troost. Vanwege de enorme vorderingen op het gebied van de cryobiologie viel de – mede vanwege het door hormoongebruik moeilijk vast te stellen geslacht – nog naamloos gestorven boreling van Johan en Margreet de eer te beurt als eerste baby te worden ingevroren. Daartoe werd het bloed van het kleintje met een pompje via de halsslagader vervangen door een oplossing van suiker en elektrolyt, waarna het lichaampje onder een registratienummer werd opgeborgen in een met vloeibare stikstof gekoelde, dubbelwandige, cilindervormige, glanzend roestvrijstalen capsule. Daar ligt het nu nog, in afwachting van het moment waarop de medische wetenschap in staat zal zijn het reeds gevloden leventje terug te commanderen. Want het leven mag dan wel nog steeds een seksueel overdraagbare aandoening met gegarandeerd dodelijke afloop zijn, maar waarom zouden we ons daar in hemelsnaam bij moeten neerleggen?

==

Een sprookje? Dit wel ja, maar het volgende verslag komt van de ouders die zes maanden hebben doorgebracht bij hun te vroeg geboren baby Andrew op de pediatrische intensivecareafdeling van een ziekenhuis: ‘De lange lijst van Andrews kwellingen, bijna allemaal door de artsen veroorzaakt, maakt duidelijk hoe rampzalig zijn verblijf in het ziekenhuis was. Hij werd “gered” door een beademingstoestel om steeds weer opnieuw te maken te krijgen met hartproblemen, talloze sucties, buisjes, bloedafnames en -transfusies; “gered” om verschillende infecties op te lopen, gedemineraliseerde en gebroken botten te krijgen, en hersenbloedingen. Hij werd in feite “gered” door het beademingstoestel om vijf lange en pijnlijke maanden later te sterven aan de bijverschijnselen. Tegen de tijd dat hij mocht sterven had de technologie die was gebruikt om hem te “redden” niet zozeer een menselijk leven in stand gehouden, als wel een groteske karikatuur van een menselijk leven, een “persoon” met onvolgroeide en steeds verder verslechterende hersenen, en nauwelijks een onbeschadigd vitaal orgaan in zijn lichaam, die alleen kon bestaan als verlengstuk van een apparaat. Dit is het beeld van onze zoon Andrew dat ons de rest van ons leven zal bijblijven.’

Bron: André Klukhuhn, De Algehele geschiedenis van het denken.

Amerika boycotten?

Als we dan toch bezig zijn om Amerika en Amerikaanse producten en dergelijke te boycotten zullen we dat dan ook gelijk maar in onze taal doen? De Nederlandse taal bedoel ik dan. Dat we fuck gewoon weer neuken noemen, in plaats van ergens mee moeten dealen weer ergens mee om moeten gaan zeggen, een klant, een voor u onbekend of ten opzichte van u (aanmerkelijk) ouder persoon weer respectvol met u aanspreken in plaats van jij, jou en jullie, Geachte heer in plaats van hoi Piet in een zakelijk schrijven? En al dat andere platvloerse Amerikaans, eruit er mee! Weg uit onze prachtige Nederlandse taal. Beschaafd Nederlands en wie weet komt er dan ook weer enige beschaving terug in ons kleine landje.

Ondergang van het Avondland? Wereld zal je bedoelen!

Ruim honderd jaar geleden schreef Oswald Spengler zijn Ondergang van het Avondland. Nu is het niet zo moeilijk om van iets te zeggen dat het op gegeven moment niet meer bestaat want, naar Boeddhistische wijsheid: alles dat ontstaat vergaat. Maar Spengler beschreef ook het waarom (volgens hem). Ik vermoed dat hij (en nog vele andere denkers van na 1800 die pessimistisch waren en zijn over het voortbestaan van de mens als soort) gelijk had. Maar ondertussen denk ik dat we niet alleen meer van het Avondland (Europa) kunnen spreken maar van Wereld (nee, niet die planeet die wij Aarde noemen) moeten spreken.

Honderden ‘moeilijke’ boeken heb ik ondertussen verslonden en honderden wachten nog ter bevrediging van mijn onstilbare nieuwsgierigheid. Al die (verschillende) theorieën, analyses, essays en onderzoeken leveren mij inzicht. In mijn leven en alles dat zich daar in, er omheen, wel of niet innerlijk, wel of niet in nabijheid, afspeelt. In het denken ook. Een geweldige ‘samenvatting’ is André Klukhuhn’s De algehele geschiedenis van het denken.

Eén van die inzichten wil ik kort hier met u delen. Misschien opent voor u dan ook het inzicht of kweekt het nieuwsgierigheid en dus behoefte tot verder onderzoek. Van harte aanbevolen.

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen, ik denk dat de menselijke geest zijn hoogtepunt had rond 1800. Dat is wel even schrikken hé. Want sindsdien gaat het dus helling af. De laatste decennia zelfs exponentieel rap dalend naar absolute domheid. De teloorgang van het denken in maar een paar eeuwtjes na millennia moeizaam stijgend. Het verband met de industrialisering en digitalisering is gauw gelegd natuurlijk.

Hoe kom ik tot dit pessimistisch denken. Wel, tot ongeveer die laatste helft van de 18e eeuw schreven denkers om tot verbetering van het denken, en dus van het leven, aan te zetten. Maar veel denkers van na ongeveer 1800 publiceerden pessimistische geschriften over de geest, geestelijk vorming van de mens en het denken. Er was niets meer aan te doen, men draagt de geest ten grave, zal steeds minder in staat zijn te denken ter bevordering van de wijsheid. Nietzsche is met zijn nihilistisch instelling de meest bekende denker wat dat aangaat. Schopenhauer natuurlijk maar ook aardig wat hedendaags denkers.

Dan is er nog de praktijk. Eén wereldoorlog was blijkbaar niet genoeg om de mens weer aan het denken te zetten over zijn denken (en dus gedrag!). Er moest eerst nog een tweede volgen met de meest afschuwelijke voorbeelden van domheid in menselijk denken en gedrag. Dat hielp wel wat maar slechts eventjes. De tweede wereldoorlog en zijn ellende en menselijk lijden is de laatste paar decennia in de vergetelheid geraakt. Zij die het meegemaakt hebben zijn zo goed als verdwenen uit ons hedendaagse. Oorlogen elders in de wereld zijn niet meer dan nieuwsberichtjes (waar je dan je mening of reactie die er geheel niet toe doet onder kan zetten).

Men feest nu weer (gelijk als tijdens het interbellum tussen de twee wereldoorlogen) naar zijn ondergang toe. De teloorgang van de geest gaat op exponentiële wijze richting absolute domheid. Dat er veel mensen met een universiteit opleiding (bezig) zijn zegt niets over die mensen maar alles over het belabberde niveau van de universiteiten. Het woord vorming kent men niet meer. Er worden radertjes voor de economie gefabriceerd.

Zijn we nu, door domheid gedreven, op weg naar een derde wereldoorlog? Een definitieve? De invulling van dat ‘definitieve’ laat ik geheel aan uw eigen verbeeldingskracht over. Als u dat (nog) bezit.

Minder werken?

Stop met het kijken en luisteren naar reclames* daardoor ga je vanzelf minder consumeren en hou je uiteindelijk geld over waardoor je minder kan gaan werken en je aandacht weer aan je echte wereld om je heen kan geven. Aan je lief, aan je kinderen, aan je ouders, aan je grootouders, aan je vrienden. Niet via een koud apparaatje met een schermpje maar echt, met echte warmte. Warmte die je kunt voelen, aanraken en ruiken.

* Ik bedoel hier: zorg dat je minder reclames ziet en hoort. Wat dat betreft zijn de uitknop en de muteknop een zegen voor de mens(heid). Voor de vele onwetenden onder de soort mens: de uitknop is vaak de zelfde knop als waarmee je een apparaatje aan zet maar gewoon even wat langer vasthouden. Je zal merken dat hoe langer je dat ding uit hebt, hoe meer tijd je vrij krijgt om aandacht aan de echte wereld te schenken. Tot je zover komt dat het apparaat door jou alleen nog maar gebruikt wordt voor het doel waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was namelijk: administratie.

Woningnood opgelost

De oorzaak van de woningnood is niet dat er te weinig woningen worden gebouwd of dat ouderen maar in hun met bloed zweet en tranen verworven eigen woning blijven zitten, nee, de oorzaak ligt in de vele scheidingen der gezinnen. Menig gescheiden gezin bezet namelijk twee woningen. De kinderen reizen daar dan onregelmatig of regelmatig tussen heen en weer. Dat houdt ook in dat de grootte van de woning het hoogst aantal bewoners moet aan kunnen, ook de tijdelijke. Want de kinderen verblijven dan weer eens tijdelijk enige dagen of weken bij de ene en dan weer tijdelijk een periode bij de andere ouder. Maar grotendeels van de tijd woont er één persoon. Zeer inefficiënt benutten van woonruimte zeg maar. Ik heb eens, alweer meerdere jaren geleden, een getalletje van 40% voorbij zien komen. 40% van de kinderen groeit op in een gescheiden gezinssituatie.

Ik heb dit ook regelmatig kunnen aanschouwen in mijn directe omgeving. Ook in mijn woonwijk waar ik al bijna veertig jaar woon (yep, zo’n oudere als hierboven beschreven). Menig stel kwam voorbij, maakte een paar kinderen en ging vervolgens uit elkaar waarop de kinderen moesten gaan reizen tussen woningen om hun nu gescheiden ouders te plezieren.

De oplossing zou natuurlijk liggen in het niet meer scheiden maar in deze tijd van individualisme (lees egotrippen) is dat een utopie. Ik bedacht een alternatief, namelijk een van heen en weer reizende ouders. Dan zijn er nog steeds twee woningen noodzakelijk maar kan een van de twee aanmerkelijk kleiner zijn. Dat kan dan een eenkamer appartement zijn of een gehuurde kamer of zo, om maar iets te noemen. Het hoeft dan in ieder geval geen gezinswoning te zijn. Veel efficiënter dus.

Bijkomende voordelen voor de kinderen: niet meer reizen, vaste plek voor jezelf, zelfde school, zelfde vrienden, geen gesjouw met je spulletjes, niks te vergeten in een andere woning, ach te veel om op te noemen. Het levert vast ook nog eens een behoorlijke bezuiniging op bij de GGZ. Er zijn dan ook namelijk een stuk minder (kinder) psychologen en – psychiaters nodig maar dit terzijde.

Dus kinderen, let op, als je ouders of opvoeders tegen je zeggen dat ze gaan scheiden, dwing af dat zij gaan reizen tussen woningen en niet jullie! Zij gaan scheiden, niet jullie! Claim je recht! En ouders/opvoeders, als jullie echt van je kinderen houden dan stellen jullie dat zelf voor.

Woningnood opgelost

Oja, nog een tip voor de ouders/opvoeders: het is ook goedkoper. Nou? Is dat even mooi meegenomen.

Straatgevecht

Alle gevechten zijn straatgevechten. Hoeveel technologie en/of politiek gewouwel je er ook tegenaan gooit. En een straatgevecht is pas beëindigd als één van de twee blijft liggen en niet (meer) opstaat.

Kerst!

Het is Kerstfeest, geen decemberfeest! Kerstzegels, geen decemberzegels! Kerstdagen geen decemberfeestdagen! En zo verder…

Dus zalig kerstfeest gewenst voor u allen.